Brancheringsmaatregelen Maastricht voldoen aan Europese Dienstenrichtlijn

Uit recente jurisprudentie volgt dat detailhandelsactiviteiten moeten worden gezien als ‘dienst’ in het kader van de Europese Dienstenrichtlijn. Dit betekent dat eventuele beperkingen die worden gesteld aan de vestiging van detailhandel moeten worden getoetst aan de voorwaarden in artikel 15, lid 3, van de Dienstenrichtlijn. Daarin is bepaald dat vestigingsbeperkingen in bestemmingsplannen niet-discriminerend, noodzakelijk en evenredig moeten zijn.

Als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Reparatie- en actualiseringsplan Maastricht Zuidoost’ van Gemeente Maastricht is beroep ingesteld. BRO is gevraagd te onderbouwen dat de betreffende beperking niet in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Uit de uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:4195) blijkt dat dit relevante jurisprudentie heeft opgeleverd:

  • De Raad van State volgt de redenering van BRO dat initiatieven niet op zichzelf moeten worden beoordeeld, maar dat het ‘brede pakket aan brancheringsmaatregelen’ in de gemeente moet worden beoordeeld. Dit om cumulatieve effecten en daarmee salamitactiek te voorkomen.
  • BRO heeft volgens de Raad van State met specifieke gegevens aangetoond dat brancheringsmaatregelen in algemene zin effectief zijn om algemene doelen na te streven, zoals het beschermen van reguliere winkelgebieden, de binnenstad en het behouden van de leefbaarheid.
  • BRO heeft aangetoond dat Gemeente Maastricht coherent en systematisch handelt in het kader van brancheringsbeperkingen in de periferie. Dit is een belangrijk onderdeel van de evenredigheidstoets.

De uitspraak van Maastricht was de eerste na de tussenuitspraak Appingedam. Hierdoor zijn op basis van BRO analyses essentiële ‘piketpaaltjes’ geslagen in het kader van de Dienstenrichtlijndiscussie.

Contact
Robin van Lieshout, adviseur retail & smart cities, robin.van.lieshout@bro.nl, 06 148 793 76