Geen zienswijze en tóch in beroep

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 14 april jl. in een belangrijke uitspraak bepaald dat het indienen van een zienswijze tegen een ontwerpbesluit niet langer verplicht is om daarna in beroep te kunnen gaan.

Zienswijze als voorwaarde voor beroep
Voor besluiten over bijvoorbeeld de vaststelling van een bestemmingsplan of de verlening van een omgevingsvergunning wordt eerst een 'ontwerp' van dat besluit ter inzage gelegd. Belanghebbenden konden alleen tegen een besluit in beroep gaan, als zij ook een zienswijze tegen het ontwerpbesluit hadden ingediend. Deze voorwaarde is onlangs getoetst door het Europese Hof van Justitie. Dit hof heeft geoordeeld dat deze voorwaarde in strijd is met het Verdrag van Aarhus, waar Nederland ook bij aangesloten is. Dit verdrag schrijft voor dat lidstaten bij milieu-aangelegenheden de toegang tot de rechter niet mogen beperken. Het Europese Hof ziet de voorwaarde van het eerst indienen van een zienswijze als een beperking.

Eerder heeft het Hof van Justitie bepaald dat de voorwaarde van het eerst indienen van een zienswijze om daarna in beroep te mogen gaan niet helemaal samengaat met het Unierecht. Het was onduidelijk in hoeverre ruimtelijke ordening onder het Verdrag van Aarhus valt, maar de Afdeling heeft bepaald dat het Verdrag van Aarhus ook geldt voor besluiten gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Hierbij is de gedachte dat de discussie of bijvoorbeeld een bestemmingsplan onder de werkingssfeer valt van artikel 6 Aarhus tot nogal gecompliceerde en langdurige discussies leidt.
Dus stelt de Afdeling:

De Afdeling verwacht dat er in de praktijk zo veel situaties zullen zijn waarin zo’n inhoudelijke en soms zeer gecompliceerde beoordeling moet worden verricht om na te gaan of het besluit onder de werkingssfeer van artikel 6 van het verdrag valt, dat de Afdeling het afbakenen van situaties waarin artikel 6:13 van de Awb niet mag worden tegengeworpen aan belanghebbenden, voor de rechtspraktijk onwerkbaar acht. In afwachting van een oplossing door de wetgever kiest de Afdeling daarom voor een uit oogpunt van rechtsbescherming ruimhartige uitleg van het verdrag, vooral ook om te verzekeren dat het uit het verdrag voorvloeiende recht op toegang tot de rechter niet een te beperkte invulling krijgt. Daarom zal in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet worden tegengeworpen aan belanghebbenden.

Daarbij beschouwt de Afdeling als omgevingsrechtelijke zaken de zaken over besluiten op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening, Tracéwet, Wet geluidhinder, Wet natuurbescherming, Ontgrondingenwet, Waterwet, Wet bodembescherming, Wet luchtvaart, Mijnbouwwet, Kernenergiewet, Wet inzake de luchtverontreiniging, Wet bescherming Antarctica en andere wetten en regelingen op het gebied van het milieu en de ruimtelijke ordening.

In de praktijk betekent dit dat ook belanghebbenden die geen zienswijze tegen een ontwerpbesluit hebben ingediend, tóch een ontvankelijk beroep kunnen instellen. Het uitblijven van zienswijzen tegen een ontwerpbesluit betekende voorheen dat over het definitieve besluit niet zou worden geprocedeerd. Nu moet voor die rechtszekerheid gewacht worden tot het einde van de beroepstermijn.

Contact
Mirte van Dooren, adviseur ruimtelijke ordening / planoloog, mirte.van.dooren@bro.nl 
Sadaf Sharifi, jurist / adviseur omgevingsrecht, sadaf.sharifi@bro.nl