Steeds vaker onderzoek naar schaduwwerking

Schaduwwerking als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen levert steeds vaker discussie op met omwonende partijen. Gemeenten voeren vaak geen specifiek beleid, en wettelijke regels of normen voor zon op gevels en percelen van derden bestaan niet. Schaduwwerking op bestaande gebouwen en in tuinen wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) gezien als onderdeel van de belangenafweging bij ruimtelijke besluiten. Daarom eist de AbRvS steeds vaker onderzoek naar schaduwwerking als onderdeel van een gedegen belangenafweging.

Een studie naar schaduwwerking is vaak een 3D projectie van de nieuwe ontwikkeling in zijn directe omgeving, tijdens alle seizoenen. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de huidige (planologische) situatie, stand van de zon, schaduwuren en de elementen die schaduw veroorzaken. Daarom heeft BRO een methode ontwikkeld om schaduwwerking meetbaar te maken zodat kan worden getoetst of, en met name hoe, een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling effect heeft op de schaduw van belendende percelen en/of gevels.  

Twee soorten onderzoek
BRO kan schaduwwerking kwantificeren met twee soorten onderzoek. Beide onderzoeken zijn door de AbRvS geaccepteerd als onderbouwing om bezonning binnen de belangenafweging inzichtelijk te maken. 

  1. Schaduweffecten op de gevels van derden kwantificeren, en objectief toetsen op basis van de zogenaamde TNO-norm (geen norm maar richtlijn).
  2. Kwantificeren van schaduweffecten op percelen (tuinen), door middel van een door BRO ontwikkelde methodiek.

Voor beide onderzoeken vergelijken we de planologische voor en na situatie, vergelijkbaar met de wijze waarop een planschaderisicoanalyse wordt uitgevoerd. Wanneer een ontwikkeling wordt gerealiseerd door middel van een ontheffing in plaats van een partiële herziening, kan een concreet bouwplan tevens de nieuwe planologische situatie zijn.

Voor meer informatie: dionne.van.gendt@bro.nl