Raad van State eist vaker onderzoek naar schaduwwerking

Schaduwwerking als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen levert steeds vaker discussie op. Gemeenten voeren vaak geen specifiek beleid, en wettelijke regels of normen voor zon op gevels en percelen van derden bestaan niet. Schaduwwerking op bestaande gebouwen en in tuinen wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) gezien als onderdeel van de belangenafweging bij ruimtelijke besluiten. Daarom eist de AbRvS steeds vaker onderzoek naar schaduwwerking als onderdeel van een gedegen belangenafweging.

Schaduwhinder kwantificeren voor objectieve beoordeling
Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling bij de rechter komt blijkt vaak dat de bezonning geen onderdeel is geweest van de belangenafweging. Daarom is het raadzaam vooraf of tijdens het planproces de mogelijke hinder op zowel gevels als in tuinen te kwantificeren, zodat dit objectief in de belangenafweging kan worden meegenomen.

Twee soorten onderzoek
BRO kan schaduwwerking kwantificeren met twee soorten onderzoek. Beide onderzoeken zijn door de AbRvS geaccepteerd als onderbouwing om bezonning binnen de belangenafweging inzichtelijk te maken.  

1.    Schaduweffecten op de gevels van derden kwantificeren, en objectief toetsen op basis van de zogenaamde TNO-norm (geen norm maar richtlijn).
2.    Kwantificeren van schaduweffecten op percelen (tuinen), door middel van een door BRO ontwikkelde methodiek.

Voor beide onderzoeken vergelijken we de planologische voor en na situatie, vergelijkbaar met de wijze waarop een planschaderisicoanalyse wordt uitgevoerd. Wanneer een ontwikkeling wordt gerealiseerd door middel van een ontheffing in plaats van een partiële herziening, kan een concreet bouwplan tevens de nieuwe planologische situatie zijn.

Voor meer informatie: Luuk Vissers, stedenbouwkundig ontwerper, E luuk.vissers@bro.nl, M 06 148 793 90