Versoepeling van de ladder onder de Omgevingswet

Onder de nieuwe Omgevingswet is de ladder niet meer verplicht, maar hoeft een gemeente er in haar belangenafweging alleen maar rekening mee te houden. Dit betekent dat, ook bij een negatieve uitkomst van de laddertoets, de ontwikkeling kan worden toegestaan, mits goed gemotiveerd. Althans, zo staat het nu in het ontwerp-Invoeringsbesluit Omgevingswet.

Al sinds de inwerkingtreding van de ladder voor duurzame verstedelijking, wordt deze door velen (ontwikkelaars) gezien als een lastige hindernis in het ruimtelijke planproces. Het kost veel tijd en onderzoek, en is een geliefde beroepsgrond van tegenstanders. Geprobeerd is om de ladder te versoepelen, onder meer door op 1 juli 2017 het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) te wijzigen. Onlangs is ook een motie aangenomen om wonen geen onderdeel meer te laten uitmaken van de ladder (Ks II, 2017/18, 32 847, nr. 427 (Motie Ronnes/Laan-Geselschap, 14 september 2018).

Aanpassingen ladder
In het ontwerp-Invoeringsbesluit Omgevingswet, op 29 oktober 2018 gepubliceerd voor consultatie, is de huidige ladder voor het overgrote deel overgenomen. Daarnaast zijn aanvullingen gedaan als gevolg van jurisprudentie. Het moet bijvoorbeeld om een voldoende substantiële nieuwe ruimtelijke ontwikkeling gaan. Daarnaast is de nieuwe ladder ook van toepassing op de kruimelgevallenregeling (art. 8.0b lid 1 onder a Besluit kwaliteit leefomgeving).

Een meer ingrijpende aanpassing betreft de omzetting naar het nieuwe stelsel van de Omgevingswet. Dit nieuwe stelsel gaat uit van een flexibelere toepassing van regels en normen, met meer ruimte voor afweging en maatwerk voor overheden. Onderzoekslasten worden verminderd doordat het daadwerkelijke onderzoek kan worden ‘doorgeschoven’ naar de vergunningenfase. Daar waar het huidige bestemmingsplan helemaal juridisch moet zijn dichtgetimmerd en onderbouwd met onderzoeken, is het omgevingsplan veel meer kaderstellend, waarbij de afweging voor een deel bij de concrete vergunningsaanvraag plaatsvindt.

Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)

  1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, woningbouwlocatie, kantoren, detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
  2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
    a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling;
    b. bij een stedelijke ontwikkeling buiten het stedelijk gebied en buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing, dat niet binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen in die behoefte kan worden voorzien.
  3. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Opstellen instructieregels
In de nieuwe concept opzet kunnen op rijksniveau zogenaamde instructieregels worden opgesteld, die bij het opstellen van een omgevingsplan moeten worden meegenomen. Een instructieregel kan op drie manieren worden vormgegeven: ‘rekening houden met’, ‘betrekken bij’ en ‘in acht nemen’. Afhankelijk van de gekozen vorm, heeft de gemeente meer of minder afwegingsruimte. Onder de vorm ´rekening houden met´ wordt verstaan: “stuurt inhoudelijk de belangenafweging; als het bestuursorgaan daar goede redenen voor heeft, is afwijken toegestaan”. Deze formulering biedt ruimte om, ook als de behoefte van de ontwikkeling niet kan worden aangetoond, de ontwikkeling toch doorgang te laten vinden mits de totale belangenafweging positief uitvalt. Dit is een interessante ontwikkeling, die in de praktijk nog tot veel gespreksstof zal leiden!

Voor meer informatie: Wanda Blommensteijn, E wanda.blommensteijn@bro.nl, M 06 150 726 51  en Robin van Lieshout,
E robin.van.lieshout@bro.nl, M 06 148 793 76